van Schot & Mane | De praktische dieren informatiesite

Heupdysplasie zelf in de hand

0
Heupdysplasie (HD) is een aandoening die veel voorkomt bij honden, voornamelijk bij grotere hondenrassen. Dat het rasgebonden is wil zeggen dat er een genetische factor in zit, toch is het ondanks wat veel mensen denken niet 100% aan erfelijkheid te wijten of het tot uiting komt. In dit artikel zullen we uitleggen waarom en wat bepaalt of een hond klinische HD krijgt en hoe we het kunnen proberen te voorkomen (nooit 100% garantie).

HD wil zeggen dat het heupgewricht niet helemaal correct gevormd is. Het gewricht kan gezien worden als een bol bot-einde dat in een kom draait en door onder andere pezen en spieren op zijn plaats wordt gehouden. Bij HD zal het bot bijvoorbeeld niet bol genoeg zijn of zal de kom niet diep genoeg zijn waardoor de hond op ‘te jonge’ leeftijd problemen met lopen krijgen. Het lichaam gaat reageren om deze instabiliteit te verhelpen met extra botvorming, wat ook weer problemen geeft zoals bijvoorbeeld artrose. We komen in een vicieuze cirkel terecht met steeds meer problemen op hogere leeftijd. Het heupgewricht wordt ondanks de lichaamsreactie steeds instabieler. We zien dat de hond in toenemende mate pijnklachten krijgt wanneer hij het heupgewricht belast. De hond zal zijn heupen proberen te ontlasten wat slecht is voor zijn hele gestel en hierdoor wordt het gezien als een ernstig probleem.

Genetisch
Om goed uit te kunnen leggen waarom HD niet enkel een genetisch probleem is gaan we proberen op een simpele wijze iets over de genetica te vertellen. Wil je niet te diep in de materie duiken, sla dan het schuingedrukte gedeelte over.


Vroeger dacht men dat heupdysplasie een monofactoriëel overerfbare ziekte was, ofwel dat de ziekte te wijten is aan één gen dat werd doorgegeven. De meeste genetische aandoeningen zijn recessief, dit wil zeggen dat wanneer ze van één van de ouders ook een gezond ‘gen’ meekrijgen dit zal domineren en de hond gezond zal zijn. Een paar voorbeelden: a = ziek (recessief) en A = gezond (dominant), ieder individu heeft twee gen delen aangezien ze er één van de moeder en één van de vader krijgen. Iemand die aa heeft is dus ziek, iemand die aA heeft draagt het gen voor de aandoening bij zich maar de gezonde vorm is dominant en het individu zal de aandoening niet vertonen. Wanneer we dus twee gezonde ouders kruisen die beide aA zijn krijgen we het volgende resultaat:

  A a
A AA Aa
a Aa aa

  Teef gen 1 Teef gen 2
Reu gen 1 ¼ pups ¼ pups
Reu gen 2 ¼ pups ¼ pups

Interpretatie tabel

1/4e zal geen drager zijn van de aandoening, 1/2e zal drager zijn maar zal de aandoening niet vertonen en 1/4e vertoont de aandoening. Op deze manier kunnen gezonde ouders toch een kind met een aandoening krijgen.

  a a
a aa aa
a aa aa

Wanneer beide ouders de ziekte hebben, ofwel aa zijn, krijgen we het bovenstaande resultaat.

Alle puppy’s hebben de aandoening!
Dit was bij HD niet altijd het geval, een teef en een reu met beide HD konden pups krijgen zonder HD. Er moest dus meer aan ten grondslag liggen. Men ging over op het idee van multifactoriële overerving, ofwel
meerdere genetische systemen zijn verantwoordelijk voor het al dan niet krijgen van HD. De meerdere genen die verantwoordelijk zijn kunnen we dan weergeven als: AaBBCC, AABBCc, etc. Er is dus wel degelijk een genetische oorsprong maar het is niet zo zwart-wit dat ouders met HD ook pups krijgen met HD en anderzijds dat ouders zonder HD geen pups zouden krijgen zonder HD.

Uit de genen is gedeeltelijk af te leiden hoeveel kans een hond maakt om op latere leeftijd klinische HD te gaan vertonen of pups te krijgen met klinische HD. Zo heeft een hond met AaBbCc veel meer kans om pups te krijgen die HD hebben dan een hond met AaBBCC. We hopen nu dat je de genetische achtergrond enigszins begrijpt.


Zelf in de hand
Het ‘profiel’ dient dus gunstig te zijn, toch heb je zelf als pup-eigenaar nog een grote verantwoordelijkheid. Het is namelijk de vraag of het genetische HD-profiel klinisch tot uiting komt, dit is afhankelijk van het milieu waarin vooral de eerste levensjaren van belang zijn. Tijdens de groei gaan de botten natuurlijk ontwikkelen en dienen op de juiste manier gevormd te worden. Een verkeerde voedingsbalans en verkeerde beweging kan dit proces beïnvloeden. Zo kan een hond met een bijna perfect genetisch profiel toch klinische HD krijgen wanneer deze opgroeit in een ‘slecht’ milieu en andersom.

 De kans op klinische HD is te verkleinen door op onderstaande zaken te letten:

  • Voorkom te veel beweging op jonge leeftijd. Een oude, simpele regel is: de leeftijd in weken van de pup is het aantal minuten achter elkaar wandelen. Ofwel een pup van 9 weken oud mag 9 minuten aan een stuk wandelen.
  • Laat de hond tot 1,5 jaar niet traplopen, niet aan de fiets rennen, gooi niet onnodig lang/ver met de bal, laat de hond niet springen, enz. Ofwel voorkom onnodige belasting van de gewrichten. Dit gedeelte is heel belangrijk en wordt door veel baasjes vergeten wanneer de hond zo’n 8 maanden oud is.
  • Voorkom dat de hond gaat spelen op gladde vloeren, door het uitglijden en corrigeren worden de gewrichten  steeds opnieuw belast.
  • Kies voor degelijke (merk)brokken die bedoeld zijn voor grote hondenrassen, zeker in de puppyfase, dus puppybrokken gericht op het eindgewicht van de hond. Indien je kiest voor algemene brokken (niet speciaal voor grote rassen) ga dan vroeg over van puppybrokken op brokken voor volwassen honden (bijvoorbeeld al op 4 maanden, afhankelijk van de groeisnelheid van de hond). In puppybrokken zitten zeer veel voedingstoffen die de botgroei onnodig bevorderen, wanneer dit langzamer gaat zal het ook beter vormen. Een overmaat aan calcium kan bijvoorbeeld problemen geven, daarom is het belangrijk dat de voedingsstoffen in de juiste verhoudingen aanwezig zijn.
  • Houdt de hond op het juiste gewicht, overgewicht is zeer belastend voor de gewrichten en ook door de grote hoeveelheden eten kloppen de concentraties mineralen/vitaminen die door het lichaam worden opgenomen niet meer.


Kortom,
Om klinische problemen te vermijden is het dus van belang dat een dier onder de drempelwaarde blijft van een combinatie van milieu- en genetische factoren. Het testen op HD door middel van RX-opnames (röntgenfoto’s) of DNA-onderzoek is zeker niet af te raden maar vergeet niet dat je er zelf ook nog altijd grote invloed op hebt. Indien een hond op volwassen leeftijd een RX-opname heeft ondergaan en hieruit blijkt dat deze perfecte heupen heeft, kan dat betekenen dat de baasjes de milieuregels goed hebben toegepast maar dat de hond een minder goed genetisch profiel kan hebben en dit ook zal doorgeven aan zijn pups. We hopen dat we je overtuigd hebben van de noodzaak om de milieuregels te handhaven ondanks dat je een ‘goede’ pup koopt. Wij hopen dat je kiest voor een pup waarvan de ouders correct getest zijn maar dat je desondanks toch de milieuregels 100% gaat toepassen.

Geef je reactie op dit artikel
Delen.